Er zijn weinig Nederlandse schrijvers van wie ik zoveel gelezen heb als van Gerard Reve. Na het op de middelbare school zo ongeveer verplichte De avonden (dat mij slecht beviel) had ik niet zoveel trek meer in Reve, maar Op weg naar het einde bleek kostelijk en zeer onderhoudend, waarna Werther Nieland en De ondergang van de familie Boslowits mij geheel overtuigden. En hoewel ik Het boek van violet en dood en Het hijgend hert slecht en vooral zeer vervelend vond, werd ik zeer hebberig toen ineens bijna het hele oeuvre in de ramsj lag. Ik moest mij inhouden. Ik heb nog steeds de neiging om alles van Reve te lezen, hoewel ik weet dat de kans op hernieuwde teleurstelling groot is. De laatste jaren is het zo, dat alles wat we van en over Reve te horen krijgen afbreuk doet aan wat hij was. Zijn recentere boeken lijken niet geschreven te zijn door Reve zelf, maar door een epigoon. In interviews is hij gênant in het maar door blijven emmeren over bijvoorbeeld zijn vermogen nog steeds met zijn zaad het plafond te raken. En wie de kritieken van de laatste jaren doorleest zal opvallen dat een nieuwe Reve vaak alleen geprezen wordt omdat het boek niet zo slecht is als de recensent wel vreesde.
Dit alles wijst erop, dat Reve bezig is de meesterwerken die hij heeft geschreven te bedelven onder een oeuvre van de derde of vierde rang. Laat ik voorop stellen, dat ik dit een bittere waarheid vind. Maar het is het moment en de gelegenheid om eens terug te kijken, nu Reve de Belgische Staatsprijs in ontvangst heeft genomen. Om te laten zien wat ik precies bedoel, zal ik Op weg naar het einde en Het boek van violet en dood tegenover elkaar zetten. Het contrast kan haast niet sterker.
Met Op weg naar het einde, zo lees ik op de achterkant van mijn exemplaar, doorbrak Reve de creatieve impasse waarin hij verkeerde en vond hij de vorm van de reisbrief, die bij uitstek geschikt bleek om er zijn beschouwingen over de inmiddels bekende Reve-thema’s ‘in te gieten’. De brieven verschenen eerder in Tirade en opzienbarend was, dat hij voor het eerst openlijk uitkwam voor zijn seksuele geaardheid. Ik heb mij laten vertellen dat homoseksualiteit pas rond 1970 uit het wetboek van strafrecht geschrapt is en we mogen dus aannemen, dat er anno 1960 al het onvolprezen Nederlandse gedoogbeleid op toegepast werd. (Reve schrijft dat in Nederland ‘behalve de vervolging van tovenarij en ketterij, ook die van volwassen homoseksualiteit [is] afgeschaft.’)
Op het schrijverscongres te Edinburgh, waarover de eerste brief handelt, werd de
homoseksualiteit plotseling betrokken bij het thema van een van de zittingen. Deze
zitting ging over Schotse literatuur. Een van de deelnemers, Trocchi, stelt dat het
Schotse nationalisme een zielige vertoning aan het worden is ‘in een wereld, waarin
de mens reeds de grootste moeite heeft iets van zijn eigen identiteit in het algemeen
te weten te komen.’ Daarop repliceert MacDiarmid, Schot en socialist, dat naar zijn
mening de nationale verscheidenheid in de wereld steeds groter aan het worden is.
Volgens hem hebben normale mensen helemaal geen moeite hun identiteit vast te stellen.
Meneer Trocchi daarentegen vindt het belangrijker te schrijven over such things as
homosexuality, lesbianism and sodomy.
Waarop Reve kwaad wordt, het woord vraagt en
een tirade uitspreekt met de volgende strekking: normale mensen bestaan helemaal niet.
Voorts interesseert het hem niet of Trocchi schrijft over homoseksualiteit. Veel meer
van belang is hoe hij schrijft: slecht of goed. Hij zegt dat hij zich als
homoseksueel niet zal laten verbieden te schrijven over homoseksualiteit; ook dat
hoort tot de menselijke realiteiten.
Of de weergave van de discussie waarheidsgetrouw is is niet van belang. Het gaat erom, wat hier geschreven staat, en dat is, nog afgezien van zijn statement over zijn eigen homoseksualiteit, belangrijk genoeg, in de eerste plaats voor het oeuvre van Reve zelf. Hier wordt stelling genomen tegen het, op morele gronden, afrekenen van de literatuur op haar onderwerp.
In zijn essay Eros en idioom wijst George Steiner het proces tegen Flauberts
Madame Bovary aan als precedent van de opvatting dat het ‘hoe’ belangrijker
is dan het ‘wat’. Hierbij valt op, dat er vóór Flaubert al veel vrijmoediger
geschreven was. Niet de literatuur was veranderd of afgeweken naar plotse liberteit.
De wijziging lag in de consolidatie van de burgerlijke smaak, in de aanmatiging, zo
kenmerkend voor het midden van de negentiende eeuw, dat burgerlijke criteria met
betrekking tot toegelaten gevoelens en de emotionele gewoonten en normen van een
mercantiele cultuur, een ideaal controlemiddel vormden.
Dit heeft alles te maken met
de steeds grotere verspreiding van boeken en de steeds groeiende geletterdheid van de
bevolking, terwijl de erotica van het ancien régime elitair was.
Dit stond op de achtergrond van het pleidooi van de openbare aanklager. Deze erkende
Flauberts talent, maar precies dat maakte zijn roman zo verdorven. Een morele afloop
kan niet opwegen tegen wellustige details,
citeert Steiner, en: Kunst enkel de
regel van openbaar fatsoen opleggen maakt haar niet ondergeschikt — het doet haar eer
aan.
De verdediging gooide het helemaal op het motief van de roman. Ze stelde, dat de
wellustige details honderdvoudig betaald werden in suïcidale walging.
Het hof ging akkoord. Hoe groot ook de “laakbare vulgariteit” van specifieke details,
toch wilde de roman als geheel een ernstige en inderdaad tragische aanklacht zijn
tegen overspel,
concludeert Steiner. Dan komt het: volgens hem is het belangrijkst,
dat Flaubert niets minder beweert, dan dat
artistieke uitmuntendheid, de hoge ernst van de ware kunstenaar, haar
eigen complete morele rechtvaardiging in zich draagt. [...] Minderwaardig proza, het
moge op menselijk vlak nuttig en moreel in de hoogste graad zijn, verdient censuur,
omdat zijn artistieke middelen inferieur zijn [...]. Al wat de volwassen verbeelding
verrijkt, al wat het bewustzijn complexer maakt en aldus de clichés van onze gewone
reflexen corrodeert, is een daad met een hoog moreel karakter. Kunst heeft het
voorrecht, meer nog de verplichting, deze daad te stellen, zij is de levensstroom
die de bevroren cellen van de conventionele gevoelens versplintert en hergroepeert.
Dat is de kern van l’art pour l’art en niet een
of andere modieuze geposeerde afstandelijkheid. Deze ‘moraliteit van de veruitwendigde
vorm’ is het centrum en de rechtvaardiging van Madame Bovary.
Met de opkomst van het naturalisme veranderde het flaubertijnse le mot juste in le mot exacte. Deze verandering had een tweeledige oorzaak: ten eerste de pretentie van de naturalist, dat zijn romans een soort wetenschappelijk-analytische weergave van de mens waren. Daarom was het zijn plicht, niets te verzwijgen. Ten tweede ging het naturalisme gelijk op met het symbolisme in een golf van anti-filisterij: het werd welhaast een taak de burger te shockeren en al zijn taboes in twijfel te stellen. Steiner, wiens betoog ik nog steeds volg, beschrijft hier een pad, een passage à la limite zoals hij het noemt, op het vlak van de seksuele expliciteit dat precies na het proces-Flaubert is ingeslagen. Het valt op dat hij wijst op een belangrijke rol hierin van de homoseksualiteit. Een van de mogelijke oorzaken die hij noemt, is dat er tot vrij recent nogal wat maatschappelijke bezwaren waren tegen homoseksualiteit. De burger liet zich provoceren door geschriften waarin de homoseksuele liefde werd beschreven; hoe explicieter de beschrijving, des te groter het succes.
We zien de behoefte om te shockeren terug in de boeken van Reve. Op de, naar de hedendaagse opvatting, nogal brave homoseksuele scènes in de reisbrieven van Op weg naar het einde werd in de volksvertegenwoordiging geschokt gereageerd, wat voor de verkoop van dit boek zeer gunstig was. In Nader tot U heeft de auteur gemeenschap met God in de gedaante van een ezel, wat zoals bekend een proces opleverde wegens godslastering: grote consternatie en commercieel succes waren wederom het gevolg.
Naar mijn mening gaat voor deze shockerende passages Steiners/Flauberts moraliteit van de veruitwendigde vorm op. Ik twijfel er niet aan, dat ook de wil om te shockeren meespeelde bij de totstandkoming van deze scènes (in elk geval bij die van de Ezel), maar dat neemt niet weg, dat de passages daarboven uitstijgen. Niemand zal ze anno 2001 nog schokkend vinden, maar lezenswaard zijn ze nog steeds.
Beschrijft Reve in de ‘Brief in een fles gevonden’ een kortstondige erotische ontmoeting op het strand met een Spanjaard, dan is die beschrijving humoristisch, lichtvoetig en bevat ze tegelijk het typisch reviaanse mengsel van sadisme, pedofilie en wat ik maar mystiek zal noemen. Het is, kort gezegd, een kolossale passage. De homo-erotiek is slechts een van de elementen die hieraan bijdragen.
De befaamde Ezel-scène moet men trouwens ook in haar context bezien: na een cafébezoek
waarbij hij te veel gedronken heeft, houdt de ikpersoon zich voor, dat hij moet
stoppen met drinken, dat hij moet vechten om eindelijk het boek te schrijven dat alle
boeken overbodig zal maken. (Hiermee wordt het in Op weg naar het einde al
aangekondigde Het Boek van violet en dood bedoeld.) Hij gaat in op de
gevolgen van de verschijning van dat boek: geen schrijver zou zich meer hoeven
aftobben, want de gehele mensheid, de gehele natuur zou verlost zijn. Er volgt een
korte beschrijving in lyrische profetentaal van de vreugde, ja! van een nieuwe
zonsopgang, een nooit gehoorde muziek, teweeggebracht door dit boek. Het boek zal
zelfs zo goed zijn, dat God Zelf in de gedaante van een eenjarige ezel langs zal komen
om te bekennen, dat hij bij sommige stukken gehuild heeft. En tot slot zal de
hoofdpersoon de goddelijke ezel tot drie keer toe bezitten, waarna hij hem een
gebonden (niet dat gierige en benauwde
) presentexemplaar met opdracht zal geven.
Ik wil hiermee zeggen, dat de Ezel-scène (bijvoorbeeld op zichzelf verteld als losse dagdroom) een kinderachtige provocatie had kunnen zijn, gericht tegen het christelijke volksdeel, maar dat ze in de oplopende reeks van ironische bombast, die weer uiterst lullig wordt afgesloten, een zin heeft, die haar daarboven verheft.
De racistische passages die sinds half jaren zestig in het oeuvre opduiken, bevallen
mij veel minder. Hier lijkt me de provocatieve intentie leidend geweest, immers,
homoseksualiteit werd intussen veel minder abnormaal gevonden. Reve heeft (hij geeft
dat zelf toe in een brief aan Carmiggelt) met het racisme iets nieuws gevonden om de
commotie rondom en de verkoop van zijn boeken te bevorderen. Voor zover ik weet, is de
eerste racistisch getinte passage te vinden in, weer, de ‘Brief uit Edinburgh’.
Daar schrijft Reve naar aanleiding van de voordracht van de Indiase schrijver Singh dat hij
zijn gekleurde broeders alle goeds toewenst, maar dat het hem de grootste moeite kost
zich voor te stellen dat zij er gevoelens en gedachten op na zouden kunnen houden die
enige overweging waard zouden zijn.
Harry Mulisch is in zijn pamflet Het ironische
van de ironie. Over het geval G.K. van het Reve verontwaardigd op deze
kwalificatie ingegaan, maar ook hier wijs ik op de context. Singh houdt zijn referaat
daags na Reves interruptie over de zogenaamde gewone man en de homoseksualiteit, en
stelt, dat een schrijver voor alles op moet komen, maar niet voor homoseksualiteit,
omdat homoseksuelen geen liefde kunnen ervaren. Men kan vroom zeggen dat Reve geen
kwaad met kwaad moet vergelden, maar anderzijds is de behoefte om een tik terug te
geven alleszins voorstelbaar.
Met De taal der liefde zet mijns inziens het verval in, al reken ik dit boek
nog tot de goede helft van het oeuvre. Het verval heeft alles te maken met de hem
kenmerkende stijl, om welke Reve altijd zo geprezen is. In Op weg naar het
einde is de briefvorm niet zozeer uitermate geschikt voor de reviaanse thematiek
(want waarom zou die niet in een andere vorm ‘gegoten’ kunnen worden?), maar
veeleer voor de reviaanse stijl. De vorm van de brief impliceert een aantal elementen.
Ten eerste wordt er een lezer/luisteraar verondersteld, tot wie de schrijver zich
rechtstreeks, in zekere zin vertrouwelijk, wendt. Dit, plus de alledaagse onderwerpen,
rechtvaardigt de losse toon, waartussen de typische hoofdletterironieën zo goed tot
hun recht komen (een zinsnede als [...] maar me wel veel vatbaarder dan anders maakt
voor Plotselinge Bevingen, Vlekken, Firmamentenvrees, alsook de dwanggedachte dat
iemand op een mij nog onbekende straathoek staat te wachten om me met een Mes dood te
steken
temidden van dagboekachtig gebabbel over een wandelingetje, een kater en het
ontbijt). Voorts houdt de briefvorm in, dat er twee relevante tijden meespelen: de
tijd waarin en de tijd waarover geschreven wordt. Zo kunnen beschrijvingen van
wederwaardigheden vanuit het schrijvers-‘nu’ worden onderbroken door herinneringen,
theorietjes, uitwijdingen over gewoontes en dergelijke. Met name in de ‘Brief uit
Edinburgh’ maakt Reve hiervan goed gebruik. Zijn commentaren op de referaten in de
zittingen worden vrijwel steeds in de vrije indirecte rede weergegeven, waarna een
enkele maal in de directe rede een commentaar volgt: soms bedaard en intelligent,
soms hilarisch en beledigend. De omschakeling van de intermezzi naar het heropnemen
van de beschrijving van de wederwaardigheden en vice versa geven de meeste brieven in
Op weg naar het einde zeer veel vaart. Een deel van het succes van Joost
Zwagermans Gimmick! is te verklaren, doordat in dit boek eenzelfde procédé
wordt toegepast. Er wordt telkens door de hoofdpersoon teruggekeken, — in de verleden
tijd wordt het voorafgaande verteld, waarna de vertelling in de tegenwoordige tijd
verder gaat. Dan volgt een sprong naar een volgend ‘nu’, vanwaar eerst weer
in de verleden tijd verteld wordt, wat er intussen gebeurd is, enzovoort. Deze techniek is
zeer doeltreffend.
Het is pijnlijk te zien, wat er van deze sterke punten over is in Het boek van
violet en dood. Reve weet natuurlijk heel goed wat zijn handelsmerk is en hier
probeert hij de perfect op hem toegesneden mogelijkheden van de briefvorm gewoon vast
te houden, terwijl hij nu juist geen brief schrijft. Het boek van violet en
dood is een roman, maar dat genre wordt door Reve geheel aangepast aan zijn
eigen behoefte het gebabbel uit de brieven vol te houden. Het gevolg is, dat de
intermezzi en de vertellersclichés op ondraaglijke wijze het verhaal vertragen.
Ettelijke malen richt de verteller zich tot ons, lezertjes, om expliciet een beroep
te doen op ons geheugen: Zoals u zich zult herinneren...
, ... dat herinnert U
zich nog wel
, ...dat weet U nog wel
. Zie hier de geïmpliceerde lezer van de
briefvorm. En ook de twee tijden worden in Het boek van violet en dood weer in
het leven geroepen: Het boek van violet en dood is een raamvertelling. In het
kaderverhaal staat de ikpersoon, die bijna helemaal met Gerard Reve samenvalt, voor
een kerk te wachten op het arriveren van het lijk van zijn buurjongen, die aanstonds
begraven zal worden. Zo wordt weer de afwisseling van anekdoten en commentaar daarop
mogelijk.
Het is dan natuurlijk leuk en melig om een nieuwe anekdote aldus te beginnen: Omdat
er, tegen alle verwachting in, opnieuw een spanne tijds overschiet die gebruikt kan en
dus ook moet worden, wil ik u [...] meer huiselijke dingen gaan vertellen...
Of om
midden in een anekdote te zeggen: Maar U hebt geen zin om al die tijd te wachten
totdat die deur van die kerk misschien open gaat.
Humoristisch bedoeld is ongetwijfeld ook het menige keer toepassen van de volgende
wijze van formuleren: Sarah’s figuur was niet slanker maar molliger geworden...
,
dingen die niet duur maar nog steeds erg goedkoop waren
, – evenals volslagen
overbodige uitleg bij een woord geven, al dan niet met isgelijkteken: lust (=
geslachtsdrift)
, crucifixje (kruisbeeldje)
, bar (toog)
. Het succes
van de racistische passages uit het verleden heeft de kwebbelende verteller ongetwijfeld
aangezet tot zéér shockerende en zéér politiek-incorrecte formuleringen als
...gedurende de bezetting door ons stamverwante broedervolk...
, ... een
volksvreemd type, ik denk een Slaaf, het woord zegt het al
, ... die vond ik
geweldig ondanks dat hij geen blanke was...
Buitengewoon schokkend is vooral,
onbekommerd te spreken over een inferieur volk
. Dit soort incorrectheden vindt
men hedentendage veel grappiger, respectievelijk schokkender in het oeuvre van Herman
Brusselmans, die, begonnen als Reve-epigoon, zijn coryfee al lang voorbijgestreefd is.
Maar het kan nog minderwaardiger. Met roddel en laster krijgt een verteller de handjes
van de Nederlandse recensenten op elkaar, en dus ontpopt Reve zich als de Henk van der
Meijden van de Amsterdamse grachten in de jaren zestig. Zoude het indiscreet zijn als
ik ze noem?
lezen we op pagina 95 en dan volgen prompt namen: Aad Nuis, Remco
Campert en Kees Fens. Dezen worden uitgescholden voor bijvoorbeeld zenuwlijder
,
stinkerd, lafaard en (saillant): lasteraar en konkelaar
. Impotent gepruttel van
een hol vat, alles uit rancune om een inmiddels volslagen oninteressante gebeurtenis in
1967. En toch schrijft Reinjan Mulder in NRC Handelsblad dat deze heren er
ongenadig van langs
krijgen; gniffelt Theodor Holman dat Reve de absolute meester
van de haat
is (o ja? – heeft deze Holman dan wel eens van ene W.F. Hermans gehoord?);
karakteriseert Carel Peeters dit futloze gekakel als meedogenloos
; en noemt Xandra
Schutte hetzelfde venijnig
. Venijnig? Armzalig is het, amechtig gepiep van een zurig
ruikende woestijnvos met snot in zijn pels. Ook over het feit dat Maarten Biesheuvel
steeds aangeduid wordt met anagrammen van zijn naam maakt men zich uitermate vrolijk
op de literatuurpagina’s. Ik voor mij kan alleen maar triest worden
van de maniertjes waarmee Reve zijn boeken opleukt, – opleuken moet, omdat ze anders
geen recensent meer boeien.
Wat op eerste gezicht enigszins intrigeert, is dat Reve zich soms richt tot een
Zeergeleerde Vriend. Er valt op, dat deze persoon een groot aantal overeenkomsten
heeft met Reve zelf: katholiek, homoseksueel, pedofiel, sadistisch, hij is
waarschijnlijk van dezelfde leeftijd. Groot verschil is, dat deze Vriend een
intellectueel is, wat Reve zelf beweert absoluut niet te zijn. Hoewel hij Vriend
genoemd wordt, wordt duidelijk dat Reve hem haat. Ik veronderstel, dat we deze Vriend
moeten opvatten als een alter-ego, – om precies te zijn: als de man die Reve had
kunnen zijn, als hij niet mislukt was op de middelbare school. Dit mislukken komt met
enige regelmaat ter sprake en een belangrijke aanwijzing voor mijn interpretatie is de
volgende zin op pagina 244: Maar ik begreep de droom niet, omdat ik opgevoed werd om
een intellectueel te worden, wat gelukkig niet is doorgegaan.
De tentoongespreide
haat jegens intellectuelen is zeer groot in dit boek. Ik wil me er echter voor wachten
teveel waarde te hechten aan dit spel. Dit vermanend en dreigend toespreken van de
Vriend komt zeer frequent voor, maar er gebeurt verder niets mee, het staat niet in
verband met enige gebeurtenis in het boek en had er zonder problemen uit weggelaten
kunnen worden. Het is uiteindelijk een nogal kitscherige toevoeging.
Wat dit alles problematisch maakt, is dat Reve hier en daar wel degelijk blijk geeft van zijn talent en vakmanschap. De langere vertelling over een reis die hij in de oorlog naar Friesland maakte om een onderduiker bonkaarten te bezorgen is ouderwets goed geschreven, heeft enige vaart en is interessant. Had Reve dit deel los uitgebracht onder de titel Het boek van violet en dood, iets uitgebreid tot een korte, goed geschreven novelle, dan zou deze naar mijn overtuiging van dezelfde eenvoud en kracht kunnen zijn geweest als Werther Nieland, – een persoonlijke mythe vanwaar zich lijnen zouden laten trekken tot in alle hoeken van het oeuvre. Dan hadden we werkelijk kunnen zeggen dat Reve de cirkel heeft gesloten.
Waarom vindt Reve het nodig de exquise vertellingen die hij nog steeds weet te
produceren, te bedelven onder een lillende hoop revistisch gezwets? Neem Het
hijgend hert, dat op zichzelf een prachtig, verstild, soms geheimzinnig verhaal
is. Ook dit wordt steeds weer, almaardoor onderbroken doordat Reve zelf eventjes wil
paraderen als de Reve van de brieven. Een zoekende en zwervende ziel in Braziliaans
carnavalskostuum met pauwenveren op zijn kop. Wat beweegt Reve om (zoals het lijkt)
eerst gewoon een goede roman te schrijven, vervolgens ieder zelf
in zelve
te veranderen, ieder zou
in zoude
, ieder voelen
in gevoelen
;
daarna de hoofdpersoon (zelf homo) tientallen keren een ander personage in gedachten te laten
uitmaken voor trut van Troje
, ethische flikker
, nicht
et cetera;
voorts dezelfde de Duitsers wéér ons stamverwante broedervolk
te laten noemen;
vervolgens hoofdstukken feuilletonnistisch te beëindigen met een vraag in de vrije indirecte
rede (Bestond er nog de kans dat hij eens zoude opduiken, en dan allerlei eisen
ging stellen?
), – waarom? Is dit vertellersironie, een grapje zogezegd? Laat mij dan
vertellen, dat het – grapje of geen grapje – lelijk is. Er kan wel impliciet
gezegd worden: ik weet wel dat het lelijk is, het is alles ironie, lach om de manier waarop
ik, met een knipoog, deze lelijkheden gebruik, – maar het blijft lelijk. De artistieke
middelen van deze boeken zijn inferieur. Dit is minderwaardig proza. En waar de Reve
van de jaren zestig de schok zinnig inzette, hem inbedde in een goed geschreven
vertelling die ergens over ging, is hij nu, net als de briefelementen een wanhopige
poging de leegte van de zogenaamde nieuwe romans te verhullen.
De briefvorm en de bijbehorende stijl, door Reve veertig jaar geleden betrekkelijk
toevallig gevonden
, zijn bezig alles loos en leeg te maken. Een meesterwerk als
Werther Nieland moet inmiddels opgedoken worden uit een plee, die geheel
leeg is op een berg reviaanse fecaliën na. Schrijft Reve een roman, dan schrijft hij
eigenlijk toch weer een brief. Is hij ongecompliceerd en goed aan het vertellen, dan
moet er toch weer een verteller in de vertelling gewrongen worden, zodat er
vertellersclichés ten beste gegeven kunnen worden. Is zijn hoofdpersoon een
eenvoudige landmeter met een seksuele voorkeur voor mannen in de jaren vijftig, dan
moet deze toch het gedachtenleven hebben van een reactionaire nicht uit de jaren
negentig. Weldra zal de briefvorm de gestalte aannemen van een eenjarige, muisgrijze
ezel. Hol klinkend, roddelend, kletsend, narcistisch starend naar de eigen roede, is
de zogenaamde volksschrijver ras op weg naar de onbeduidendheid.
Grote ijdelheid, zegt de Prediker. Grote ijdelheid. Het is allemaal grote ijdelheid!
(Prediker 1:2)
Dit essay is geschreven in september 2001 en verscheen in Parmentier XI-1, ‘De nieuwe tijd’, Nijmegen 2001. Een katern van dit nummer had Gerard Reve als thema.
Download dit essay.